Onderzoeksraad: geen ‘bijna-botsing’ boven Uitgeest

213

DEN HAAG / UITGEEST In het luchtruim boven Uitgeest heeft zich op 13 november 2012 geen ‘bijna-botsing’ voorgedaan. Dat staat in het rapport ‘Afstandsverlies tussen twee vliegtuigen boven Uitgeest’, dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid vandaag heeft gepubliceerd. Doordat de luchtverkeersleider afweek van de normale aanvlieghoogte, kwamen twee verkeersvliegtuigen te dicht bij elkaar. Hoewel dat niet direct tot een onveilige situatie heeft geleid, brengt deze manier van werken wel veiligheidsrisico’s met zich.


Op de bewuste dag moesten een Boeing 737 en een Airbus A330 landen op respectievelijk de Polderbaan en de Zwanenburgbaan van luchthaven Schiphol. Deze landingsbanen liggen parallel aan elkaar. Om onveilige situaties te voorkomen, moeten vliegtuigen zowel verticaal als horizontaal afstand bewaren tot elkaar. Wanneer vliegtuigen dichter bij elkaar komen dan deze voorgeschreven minimumafstand , ontstaat er een potentieel risico en wordt gesproken van een incident. Voordat daadwerkelijk gevaar optreedt¸ krijgt de bemanning diverse (deels automatische) waarschuwingen en heeft daarnaast ook voldoende mogelijkheden om uit te wijken. De laatste, meest kritieke automatische waarschuwing is dat er botsingsgevaar dreigt. Op het moment dat de twee vliegtuigen op dinsdag 13 november elkaar het dichtst genaderd waren, bedroeg de onderlinge afstand 1,1 kilometer. Deze onderlinge afstand was geen aanleiding voor het waarschuwingssysteem om een melding af te geven dat er sprake was van botsingsgevaar. Er is dan ook geen melding afgegeven. Op het moment dat de vliegtuigen elkaar het dichtst waren genaderd vlogen ze parallel aan elkaar.


Eigen initiatief
Het incident kon ontstaan doordat de luchtverkeersleider op eigen initiatief het vliegtuig dat op de Zwanenburgbaan moest landen, liet naderen op 2000 voet hoogte in plaats van de voorgeschreven 3000 voet. Dit was mogelijk omdat er tijdelijk geen verkeersaanbod was voor de parallelle Polderbaan. Echter, op het moment dat zich weer verkeer aanbood voor de Polderbaan, had het verkeer voor de Zwanenburgbaan naar een minimale (voorgeschreven) hoogte van 3000 voet moeten worden gebracht om de voorgeschreven minimum afstand tussen de vliegtuigen te bewaren. Dit is niet gebeurd waardoor de afstand tussen de vliegtuigen onder dit minimum kwam.


De Onderzoeksraad is van mening dat luchtverkeersleiders een zekere mate van vrijheid van handelen moeten hebben, maar dat wel duidelijk moet zijn binnen welke grenzen vrij gehandeld kan worden. De Onderzoeksraad raadt Luchtverkeersleiding Nederland aan in haar veiligheidsprogramma ‘Duidelijkheid in veiligheid’ aandacht te besteden aan de voorwaarden waaronder afgeweken mag worden van de voorgeschreven werkwijze bij gelijktijdig parallel baangebruik.


Het volledige onderzoek staat op: www.onderzoeksraad.nl

Wij maakte toentertijd een animatie:

Reacties

Reacties